Join the European Li-Fraumeni Families Foundation
Together we can do much more for the Li-Fraumeni families
|
16 maart 2010
Klinisch-diagnostische criteria: Klassiek Li-Fraumeni Syndroom (LFS):
Li-Fraumeni-like Syndroom (LFL):
Overervingspatroon:
Prevalentie:
Kliniek:
Richtlijnen voor diagnostiek en preventie Li-Fraumeni Syndroom
Genetische basis:
p53-gen (chromosoom 17)
DNA-diagnostiek
Mutatiedetectie bij LFS: 75% en bij LFL: 40%
Beleid: DNA-diagnostiek:
Komt in principe in aanmerking bij LFS- en LFL-families, Patiënten met multipele met LFS-geassocieerde tumoren, met name indien de eerste tumor op jonge leeftijd (<35 jaar="" is="" vastgeteld="" bij="" kinderen="" met="" bijnierschorskanker="" en="" -="" ter="" overweging="" mammacarcinoom="" op="" zeer="" jonge="" leeftijd="" 30="" gezien="" de="" beperkte="" mogelijkheden="" van="" vroege="" opsporing="" behandeling="" staat="" presymptomatisch="" dna-onderzoek="" discussie="" p="">
Periodiek onderzoek:
Algemeen:
Besluitvorming beleid en follow-up mutatiedraagsters bij voorkeur in multidisciplinair verband (polikliniek Klinische Genetica/FamiliaireTumoren)
De complete algemeen richtlijn is hier te lezen
NB De richtlijn voor li-Fraumeni staat op blz 14
Inleiding uit de richtlijn:
De ontdekking van genen die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van kanker heeft de aandacht voor families met een erfelijke aanleg voor tumoren aanzienlijk doen toenemen. Identificatie van mensen met een verhoogd risico op genetische gronden biedt de mogelijkheid van gerichte preventie en vroege opsporing van kanker. DNA-diagnostiek biedt in een toenemendaantal families de mogelijkheid om vast te stellen of iemand drager is van een gemuteerd gen dat later in het leven aanleiding kan geven tot de ontwikkeling van kanker. Families met een (mogelijk) erfelijke vorm van kanker vereisen specifieke zorg en begeleiding zowel rond de toepassing van de diagnostiek als bij de levenslange follow-up.
In Nederland bestaan 10 poliklinieken Klinische Genetica/Familiaire Tumoren verbonden aan de universitair medische centra en de gespecialiseerde kankercentra. Binnen deze poliklinieken werken klinisch genetici, moleculair genetici, chirurgen, internisten, gynaecologen, MDL-artsen, radiologen, pathologen, dermatologen, andere medische specialisten en psychosociale hulpverleners nauw samen. De klinisch geneticus coördineert het erfelijkheidsonderzoek, stelt de indicatie voor DNA-onderzoek, maakt de uiteindelijke risicoschatting en geeft informatie over de mogelijkheid van periodiek onderzoek. Voor advisering omtrent en uitvoering van preventieve maatregelen wordt de patiënt (terug) verwezen naar de betreffende specialisten. De aanbevolen richtlijnen zijn gebaseerd op een consensus binnen de betreffende landelijke werkgroepen en/of internationale richtlijnen.
Sinds 1985 bestaat een landelijke registratie van families met erfelijke aanleg voor tumoren, opgezet door de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren (STOET). De doelstellingen van de registratie zijn het bevorderen van periodiek onderzoek, het waarborgen van de continuïteit van de follow-up en de evaluatie van de effectiviteit vande screeningsprotocollen op lange termijn.
Door de snel toenemende kennis op het gebied van erfelijke tumoren zijn de diagnostische mogelijkheden, risicoprofielen en richtlijnen voor periodiek onderzoek aan voortdurende verandering onderhevig. Daarbij worden huisartsen en medische specialistenrichtlijnen voor diagnostiek en preventie door de ruime aandacht die de media aan de nieuwe ontdekkingen schenken steeds vaker geconfronteerd met vragen van de kant van patiënten en familieleden. Om deze redenen hebben wij voor de medische praktijk deze beknopte handleiding samengesteld. De handleiding bevat informatie over de diagnostische criteria, de kenmerken van de meest voorkomende vormen van erfelijke tumoren, DNA-diagnostiek en de richtlijnen voor periodiek onderzoek en preventieve chirurgie. Verder wordt informatie gegeven over de organisatie en werkwijze van de poliklinieken Klinische Genetica/Familiaire Tumoren en de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren. Ten slotte treft u een overzicht aan van de landelijke werkgroepen en de patiëntenverenigingen. Opgemerkt dient te worden dat de waarde van vele richtlijnen voor
periodiek onderzoek nog niet is aangetoond; de waarde van deze programma’s wordt thans geëvalueerd. Deze algemene richtlijnen dienen ter oriëntatie. In het individuele geval zal het eigen afdelingsbeleid, de omstandigheden van de individuele patiënt en de eventueel ter beschikking komende nieuwere inzichten het beleid van de betrokken artsen mede bepalen. De richtlijnen zijn samengesteld met de inbreng van velen die betrokken zijn bij de zorg voor families met erfelijke tumoren. Het is de bedoeling om dit richtlijnenboekje elke 3 à 4 jaar te herzien. De opstellers van de richtlijnen houden zich aanbevolen voor commentaren en suggesties.
Leiden/Amsterdam, november 2005
Dr H.F.A. Vasen, internist, namens de Stichting Opsporing ErfelijkeTumoren en de landelijke werkgroepen Erfelijke Tumoren|
Dr A.H.J.T. Bröcker-Vriends en Dr F.H. Menko, klinisch genetici,
namens de Werkgroep Klinische Oncogenetica van de Vereniging Klinische Genetica Nederland